Interview met Sonja Scholten
Interview met Sonja Scholten
‘Ik ben gewoon van het vak gaan houden’
Ze begon als bewegingswetenschapper, promoveerde, werkte als staffunctionaris onderzoek en studeerde uiteindelijk geneeskunde. Wat volgde was een indrukwekkende loopbaan als een van de eerste SEH-artsen van Nederland én pionier in de brandwondenzorg. Nu nadert haar pensioen maar haar passie is nog altijd voelbaar. De Intensivist sprak haar over haar carrière, golf, multidisciplinair werken – en over waarom brandwondenzorg haar hart heeft gestolen.
U begon in de wetenschap. Hoe kwam u uiteindelijk in de brandwondenzorg terecht?
"Ik was ANIOS chirurgie in het UMCG toen de cao’s voor arts-assistenten veranderden. Ik had toen al een andere achtergrond – bewegingswetenschappen, promotieonderzoek en jarenlange ervaring in Beatrixoord – en werd gevraagd om ’s avonds op de SEH te werken. Dat vond ik ontzettend leuk. Uiteindelijk ben ik tot SEH-arts opgeleid in Assen. Dat was in een tijd waarin alles nog in ontwikkeling was: er waren nauwelijks protocollen. Eén daarvan ging over brandwonden. We zagen patiënten met brandwonden en wisten eigenlijk niet goed wat we moesten doen. Dat triggerde iets bij mij."
Hoe ging dat verder?
"Ik heb toen een cursus gevolgd in Beverwijk, want in het noorden was er nog niets. Kort daarna kregen we scholing van Dr. Beerthuizen, hoofd van het brandwondencentrum van het Martini Ziekenhuis in Groningen. Toen hoorde ik tegenstrijdige dingen. Ik ben met ze in gesprek gegaan: hoe kunnen wij in Assen beter samenwerken met het brandwondencentrum in Groningen? Ik schreef een protocol, en blijkbaar maakte dat indruk. Er was op dat moment geen vaste brandwondenarts in het noorden, alleen ANIOS die steeds wisselden. De verpleging riep om continuïteit. En toen kwamen ze bij mij."
En u zei direct ja?
"In eerste instantie niet. Mijn hart lag nog bij de spoedeisende hulp. Ik heb toen een dag meegelopen in het brandwondencentrum. Er waren meteen grote IC-patiënten, ik kon echt iets bijdragen. En ik dacht: ja, dit is interessant. De combinatie van specialiseren, langdurige zorg en het teamwork sprak me aan. Je bouwt aan iets samen. Ik dacht: ik kan altijd nog terug naar de SEH. Maar ik ben gewoon van het vak gaan houden."
Wat spreekt u zo aan in brandwondenzorg?
"Dat je echt iets kunt betekenen. Als ANIOS chirurgie zag ik patiënten die niet meer te behandelen waren, daar was je soms zó kansloos. Maar bij brandwonden ben je vaak kansrijk. Je kunt mensen van heel slecht naar heel goed helpen. En daarna nog iets voor ze blijven betekenen, omdat je ze op de poli blijft terugzien. Je leert de patiënt kennen, de ouders, de familie. Dat vond ik bijzonder. En ik houd van werken in een team, we gebruiken elkaars expertise. Daar voel ik me thuis."
Is er iets in uw focus veranderd in de loop der jaren?
"Niet echt. Ik vind nog steeds alle facetten leuk. Grote operaties doe je omdat het moet, maar kleine ingrepen waarbij je mooi werk levert zonder veel littekens, dát is mijn favoriet. De ernstigste slachtoffers zijn het meest interessant: hoe gaan ze het doen? Steeds kijk je, wat kunnen wij verbeteren? Vooral in de nazorg is veel ontwikkeld."
Wat is daarin veranderd?
"Vroeger zag je dat de zorg bij ontslag ophield. Maar daar begint het pas voor de patiënt. De warme deken van dokters en verpleegkundigen valt weg en dan moeten mensen het zelf doen. Dat is voor patiënten én ouders enorm spannend. We zagen dat er nog veel medische focus was, terwijl patiënten andere dingen nodig hadden. Samen met het team – vooral de verpleegkundig specialisten – hebben we dat veranderd. We hebben de nazorg opgebouwd en de verpleegkundig specialisten geschoold. Patiënten hebben behoefte aan ondersteuning in hun dagelijks functioneren, ook psychisch, niet alleen aan medische begeleiding."
En u speelde ook een rol in het interdisciplinair maken van het team.
"Zeker. Multidisciplinair werkten we al jaren, maar we wilden de volgende stap maken naar interdisciplinair werken. Echt samen kijken naar wat de patiënt nodig heeft. Met de verificatie van de European Burns Association hebben we een zorgproduct geschreven waarin iedere discipline haar rol, doelen en aanpak vastlegde. Dat leidde tot betere afstemming en meer bewustwording. Het bracht ons bij ons gezamenlijk doel; dat is niet ‘de wond dicht’, maar ‘het leven weer oppakken’. Elk specialisme heeft daarin een rol. Dat inzicht is bepalend geweest. Je ziet dat nu terug in hoe we patiënten benaderen. De focus ligt op zoveel mogelijk weer kunnen functioneren als voor het ongeval, op acceptatie, op het dagelijks leven. We werken nu aan de volgende stap, zelfmanagement: hoe kunnen we patiënten beter toerusten om met de gevolgen van brandwonden te leven?"
Waarin onderscheidt Nederland zich internationaal?
"Wij lopen voorop, niet altijd medisch-technisch, maar onder andere in hygiëne en sterftecijfers. Sepsis zien we veel minder. Maar vooral ons oog voor het totaalplaatje maakt het verschil. Alleen in Nederland zijn er brandwondenartsen. Patiënten komen op de littekenpoli, en dat zegt al genoeg. Wij begeleiden patiënten veel intensiever. We hebben echt aandacht voor wat brandwonden en littekens betekenen voor hun leven. Daar zijn we uniek in."
Wat geeft u jonge collega’s mee?
"Dat je breed opgeleid moet zijn. Brandwonden zijn niet alleen wonden – ze beïnvloeden het hele lichaam. Je moet kennis hebben van pathofysiologie, orgaanfuncties, infecties. Je moet het hele proces bewaken: van wondzorg tot IC, van operatieplanning tot nazorg. En je moet het team aansturen. Steeds opnieuw de lijn bewaken, protocollen volgen, jonge collega’s meenemen. En vooral: het overzicht houden. Waar zijn we mee bezig, wie doet wat, en waarom?”
Hoe is de samenwerking met intensivisten veranderd?
“Toen ik begon deden internisten en longartsen de IC. Later werd dat een vak apart en kwamen de intensivisten. In het begin vroegen ze zich af wat mijn rol precies was. Maar ik heb hard gewerkt aan vertrouwen en nu is het echt een samenwerking. Brandwondenpatiënten zijn anders dan reguliere IC-patiënten. Dat leer je alleen door ervaring. Ik ben blij met hoe we dat hier in Groningen geïntegreerd hebben.”
Wat kunnen intensivisten in niet-brandwondencentra doen bij de opvang?
"Mijn belangrijkste boodschap is: wacht niet af. Vroege overplaatsing is cruciaal. Je ziet écht verschil in beloop als patiënten binnen 12 uur komen. Vier tips die ik altijd meegeef:
- Beoordeel de beademingsnoodzaak goed. Brandwonden in het gezicht betekenen niet automatisch intubatie, maar denk er wel over na, overleg en voorkom onnodige complicaties.
- Let op de hemodynamiek. In de eerste 8 uur ga je vol op het gaspedaal, maar durf daarna ook gas terug te nemen. De Parkland-formule is een startpunt; waarna de vullingsbehoefte individueel moet worden aangepast. Wees alert op alcoholgebruik: deze patiënten plassen veel, ook als ze ondervuld zijn.
- Let op de wondbehandeling. Wat voor brandwonden heeft de patiënt? Circulair, diep, is een escharotomie noodzakelijk? Daarnaast wil ik graag de eerste 24 uur kunnen starten met flammacerium. Dit remt de SIRS-reactie en helpt de wond schoon houden. Elke vertraging verhoogt de kans op infecties, het transportmoment zelf is een hoog risico moment voor infecties. De juiste brandwondenzorg in de eerste 24 uur is heel belangrijk voor de lange termijn uitkomsten.
- Plaats vroeg over naar een brandwondencentrum. Wacht niet tot ‘morgen’ als het vanavond ook kan. Stabiliteit is mooi, maar je wilt die behouden en de wondzorg zo snel mogelijk goed kunnen starten. Dit vereist specifieke expertise.”
Wat zijn de raakvlakken tussen brandwondenartsen en intensivisten?
"Meer dan je zou denken. Je hebt te maken met kritieke fysiologie, snelle beslissingen, anticiperen op complicaties. Je maakt een plan voor de dag, maar weet dat het elk moment anders kan zijn. Ook de coördinatie is vergelijkbaar: je bewaakt het overzicht, zorgt dat iedereen met één mond spreekt, en betrekt het team én de patiënt. Net als jullie zijn wij vaak de spil in een complex zorgproces."
U werkte jarenlang met grote toewijding. Wat heeft dat van u gevraagd?
"Je stond eigenlijk altijd ‘aan’. Vroeger had ik zelfs diensten van 7 dagen, 24 uur, samen met Gerard (Beerthuizen, red). En weet je: ik heb daar ook echt van genoten. We waren jong, konden het aan en privé hadden we dat ook heel goed geregeld. Mijn gezin zegt tot op de dag van vandaag dat ze daar niet onder geleden hebben, dus dat geloof ik dan ook maar. En ik ben nog steeds bij mijn man. Maar nu, richting pensioen, merk ik dat het werk me veel energie kost. Als ik eerlijk ben: ik ben chronisch moe. Maar straks komt er weer ruimte. Dan komt ook de energie terug. Lachend – Ik voel me nu soms een kwetsbare oudere. Mijn hobby golfen helpt – ik sta soms met hoofdpijn op de baan, maar vier uur later ben ik die kwijt, dat geeft veel ontspanning. Ik ben ook wel oprecht altijd heel trots geweest op ons centrum en op ons team, en ook trots op de bijdrage die ik daarin heb kunnen leveren voor deze patiënten.”
Wat zijn hoogtepunten van de afgelopen jaren?
"Dat we eindelijk met lasertherapie zijn gestart. We hebben zoveel geprobeerd tegen littekens, maar de resultaten vielen tegen. We hadden vijf jaar geleden al een bedrijfsplan geschreven, personeel geschoold, maar toen kwam COVID. Nu draaien we elke twee weken een lasersessie. Mijn doel is om daar dit jaar goede protocollen voor te ontwikkelen, zodat het team ermee verder kan."
Wat zijn uw plannen na uw pensioen?
"Ik blijf actief voor de EMSB. We zijn bezig met defensiescholingen en vanuit de EBA willen we de EMSB verder uitrollen in Europa. Daarnaast wil ik even rust. Opladen. En daarna? Misschien vrijwilligerswerk in het hospice, zeker blijven golfen – ik ben een verslaafde golfer – en klussen in huis. Ik zie absoluut geen zwart gat. Integendeel, ik kijk ernaar uit."
