Winnaar NVIC proefschriftaward 2025: Precisiegeneeskunde bij sepsis en ARDS
Winnaar NVIC proefschriftaward 2025: Precisiegeneeskunde bij sepsis en ARDS
Wie: Rombout van Amstel
Wat: Precisiegeneeskunde bij sepsis en ARDS op de IC
Waar: Intensive Care, Amsterdam UMC, Universiteit van Amsterdam
Begeleiding: prof. dr. A.P.J. Vlaar. Prof. dr. L.D.J. Bos en dr. L.A. van Vught
Alle patiënten met sepsis of ARDS behandelen we op de IC globaal hetzelfde: gericht op de oorzaak (antibiotica), orgaanondersteuning en afwachten. Niet omdat we zo dat willen, maar omdat we nog niet beter kunnen. De farmacologische studies van de afgelopen 25 jaar — gericht op het immuunsysteem— zijn zonder uitzondering negatief. De reden? Onder één diagnose schuilen biologisch verschillende patiënten.
Rombout van Amstel promoveerde op 28 maart 2025 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Precision medicine in critically ill patients. Exploring ARDS and sepsis subphenotypes en won hiermee de NVIC proefschriftaward 2025. Zijn onderzoek richtte zich op de barrières die precisiegeneeskunde bij IC-patiënten in de weg staan. Hij testte zijn hypotheses in bestaande datasets — een bewuste keuze in een vakgebied waar grote cohorten en RCT-data al beschikbaar zijn, maar nog veel te vertellen hebben als je ze door een andere lens bekijkt.
De rode draad vormen de subfenotypes: door machine learning gedefinieerde subgroepen van sepsis- en ARDS-patiënten met een onderscheidend biologisch profiel, een verschillende prognose en mogelijk een andere respons op behandeling.
Belangrijkste bevindingen
Een eerste sleutelbevinding was dat subfenotypes die door verschillende onderzoeksgroepen zijn geïdentificeerd — op basis van klinische data, biomarkers of genexpressie — niet dezelfde groepen met andere definities zijn. Daarnaast ontdekte Van Amstel ook dat een Amerikaans model in de Nederlandse situatie totaal anders presteerde. Casemix speelt een grote rol: de Nederlandse IC-patiënt is niet de Amerikaanse.
Een tweede centrale bevinding betrof het effect van tijd op fenotypes. De meest gebruikte indeling — hyper- versus hypo-inflammatoir subtype — is niet stabiel. De incidentie van het hyper-inflammatoire subtype halveert ruwweg elke twee dagen, en de overgang is vrijwel eenrichtingsverkeer: van hyper naar hypo, zelden andersom. Wie dagenlang hyper-inflammatoir blijft, heeft een hele slechte prognose. Dit heeft directe implicaties voor de timing van interventiestudies. Inclusies tot 48 of 72 uur missen mogelijk al het meest inflammatoire window. Bovendien is het inflammatoire subtype niet klinisch herkenbaar aan het bed: juist daarom is objectieve fenotypering een voorwaarde voor toekomstige precisietrials.
Wat elke intensivist moet weten
Internationale trials gericht op fenotyperen zijn niet zonder meer op de Nederlandse patiënt van toepassing. Casemix verschilt, en subfenotype-distributies ook. Fenotype-gestratificeerde studies, op basis van bedside fenotyperen, worden op dit moment uitgevoerd.
